Lachen zonder taal

Down to Earth, de documentaire film van een Nederlands stel dat samen met hun 3 kinderen de wereld over trok om te praten met zogeheten “Earth Keepers”. Wijze mannen en vrouwen, veelal hoofd van hun culturele groep (of stam) die hun wijsheden over het leven en de aarde delen. Ik zag de film een paar weken geleden in het Filmhuis in Amersfoort en ik zou hem zo nog tien keer kunnen zien (ok, dat is misschien wat overdreven, maar het was zeker voor herhaling vatbaar). Voor mij was dit zo’n film waarbij je elke keer als je hem ziet, je andere dingen hoort en opvallen, afhankelijk van de stemming waar je in bent.

De mensen die aan het woord waren zitten vol wijsheden, die niet alleen door wat ze zeggen, maar vooral ook hoe ze zeggen, enorme indruk maken en voor mij erg inspirerend werkten.

Maar het grappige is, dat het voornaamste dat bij mij is blijven hangen een fragment is waarin niet gesproken wordt. In dat fragment is het gezin op bezoek bij de San, de Bosjesmannen met die onverstaanbare kliktaal. De drie (hoogblonde, blanke) Nederlandse kinderen zitten samen met de San kinderen in een kring en spelen iets wat lijkt op “zakdoekje leggen”. Ze lachen, maken plezier en spelen gewoon, met elkaar. Dat is namelijk wat kinderen doen. Samen spelen. Kinderen zien daarin geen obstakels van “ik spreek de taal niet”, of “zij zien er anders uit”. Nee, kinderen zien kinderen en kinderen spelen. Dus spelen ze met elkaar. Gewoon leuk!

Het deed mij denken aan mijn zoontje toen we afgelopen zomer besloten op reis te gaan naar Japan. Quint werd daar 5 jaar en maakte zich voorafgaand aan de reis, (in tegenstelling tot wat ik hierboven schreef) wel degelijk druk over het feit dat wij geen Japans spreken. Hij leert op school Engels, maar we konden hem er niet van overtuigen dat we ons daarmee prima zouden kunnen redden. Zelfs mijn ultieme poging om ten overstaan van hem en zijn zus uit te beelden hoe je zonder woorden kon vragen om een ei (daar is hij gek op) inclusief gefladder met mijn armen, gekakel en floep een balletje dat uit mijn kont kwam, kon hem niet overtuigen. Toch gingen we uiteraard naar Japan en daar stal uitgerekend hij de show. Ik weet niet wat het is met hem, maar al vanaf dat hij baby windt hij iedereen om zijn vinger. Iedereen die we tegenkomen is van hem gecharmeerd en in Japan uitte zich dat in veelvuldig “kawaii” (wat “schattig” betekent in het Japans, tot Quints grote ergernis) en een aai over zijn bol. Vooral oudere mensen deden een poging een gesprek met hem aan te knopen, in de bus, in de trein, metro of gewoon op straat. In een van die metro’s was Quint met zijn verhitte koppie op een bankje gaan zitten. Tot zijn schrik nam naast hem een bejaard stel plaats die (naar wij vermoeden, want wij spreken dus geen Japans) de standaardvragen aan hem stelden: Hoe heet je? Hoe oud ben je? Ook hij had die vragen inmiddels door en gaf de antwoorden al (die hadden we geleerd te geven in het Japans) nog voordat de vraag goed en wel gesteld was. Maar het bejaarde stel liet het daar niet bij. Ze begonnen grapjes te maken en bleven vooral ontzettend vriendelijk en vrolijk lachen en buigen. Mijn man en ik aanschouwden het tafereel, maar ondanks dat Quint wat verlegen bleef, begon ook hij steeds vrolijker te kijken. Helaas kon het allemaal niet te lang duren, want we kwamen aan bij onze halte en stapten uit. De opa en oma zwaaiden en lachten nogmaals en Quint zwaaide ook lachend naar hen.

Eenmaal op het station greep hij mijn hand, trok eraan, waardoor ik stil kwam te staan en keek me aan. Hij zei: “Mama, ik vond het heel leuk dat ik toch met die Japanse opa en oma kon lachen, zonder dat ik ze verstond!” Nou, toen maakte mijn antropologische moederhart een sprongetje. Al is dat het enige dat hij onthoudt van die hele reis, dan ben ik helemaal gelukkig!